Zelf Renoveren

20/06/2016

Ik heb een vervallen boerderijtje op Texel gekocht, een kleine stolp. Eigenlijk is zo’n stolp een soort circustent: een groot dak, deels riet, op vier enorme houten tentpalen. Die houtconstructie is schitterend, maar veel meer resteert er niet van het gebouw. Toch is het een droomhuis voor bewoners van de Amsterdamse binnenstad die zo zoetjesaan gek zijn geworden van de toeristen.

Maar dan begint de ellende, je moet zeg maar als amateur projectontwikkelaar aan de slag. Mijn vertrouwen in architecten is in de loop der jaren gezakt tot onder het nulpunt. Het zijn leuke jongens en meisjes, maar ze willen altijd een kunstwerk maken. Op kosten van de opdrachtgever. Wat dat betreft benijd ik ontwikkelaars niet. Gelukkig heb ik een ouderwetse monumentenman gevonden die begrijpt dat het stolpje op ambachtelijke wijze verbouwd moet worden tot een fijne bejaardenwoning. Geen poppenkast voor architectuurbladen. Hij kent bovendien alle metselaars, timmerlieden, loodgieters en elektriciens van het eiland.

Dat is overigens al moeilijk genoeg, want een boerderij is een bedrijfsgebouw en het is toch de bedoeling om nog iets daarvan in stand te houden. De monumentenzorg kijkt toe.

Het wordt een soort patiobungalow onder dat grote dak, rond het open vierkant van die vier tentpalen. Veel loze ruimte dus in die kap, een ‘koude kap’ heet dat. Een viermaster met wat kajuiten, het kan geweldig stormen op Texel. Ik verheug mij nu al op het geraas van de wind.

De ‘woonboerderij’ is natuurlijk een onding, maar ook een noodzakelijk kwaad. Wanneer is dat begonnen? Vermoedelijk na de herverkaveling van ons platteland in de jaren vijftig. Oude boerderijen werden werkeloos, het vee was verdwenen, het bedrijf opgedoekt. Ik heb geen wetenschappelijk onderzoek gedaan, het boek ‘Woonboerderijen’ dateert uit 1980. De inleiding suggereert dat het nog een betrekkelijk nieuw verschijnsel was. De oudere voorbeelden dateren uit de vroege jaren zestig. Uitgewoonde huizen in Amsterdam werden toen al opgeknapt door de firma Stadsherstel.

We zijn dus een halve eeuw verder en wonderlijk genoeg begint renoveren heel normaal te worden. Wat begon als een hobby van excentrieke mensen is nu een serieus ding in de wereld van het vastgoed. Natuurlijk lopen er nog dinosauriërs rond, ik noem geen namen, die leuke kantoorgebouwen laten afbreken, maar het is toch niet overdreven om te spreken van een kentering. NRP getuigt van de nieuwe geest in de wereld van ontwikkelaars. Duurzame energie rukt ook op. Zou het mogelijk zijn dat we na ruim twee eeuwen blind geloof in de vooruitgang tot bezinning komen?

We moeten toch voor onze kleinkinderen iets behouden van het paradijs dat Nederland ooit was. Misschien niet het land dat Jac.P. Thijsse beschreven heeft in de fameuze Verkade albums, zonder auto’s, bio-industrie en bestrijdingsmiddelen, maar dan toch wel iets zonder al teveel harteloze hoogbouw, een humane wereld. Dat heeft niets te maken met behoudzucht en hysterische monumentenzorg. De gebouwde omgeving moet ook een vertrouwde omgeving zijn. Het ongekende succes van de oude binnensteden geeft aan dat mensen geen trek meer hebben in de vooruitgang.

Bron: NRP
NRP omdat het nieuwe vastgoed er al staat